Een deel van de ruis van de Opwettense watermolen in Nuenen.
Een deel van de ruis van de Opwettense watermolen in Nuenen. (Foto: Audrey Tulkens)
Rosmolen 285 jaar

Inbraak in Engelandse watermolen

  Historie

BERLICUM - Vrienden van de Bossche Molens brengt volgend jaar op 9 september een boek uit over de Molens van Rosmalen, geschreven door vijf kenners. Als 'warming up' plaatst het Stadsblad in aanloop daarnaartoe een reeks artikelen over de molens, geschreven door een van de vijf auteurs.

In 1476 is er ingebroken in de Engelandse watermolen in Berlicum. De schout van Maasland heeft een verklaring van een van de verdachten opgenomen. De beide andere daders zijn 'm waarschijnlijk gesmeerd, want over hen is verder niets vastgelegd. Volgens zijn verklaring heeft Pauwels Peter Ghijbensone, geboren in Berlicum, in Den Bosch zitten drinken met Arnden Aertssone en Henneken Robbens, die in Berlicum woonden. Ze zijn samen terug gelopen naar Berlicum. Toen ze onderweg bij de Engelandse molen kwamen, die eigendom was van Symon van Gheele, hebben Arnden en Henneken met elkaar overlegd met de woorden; "laten we de ruis, die we in het water horen, omhoog halen, daar zal wel wat vis in zitten".

Haan de nek omgedraaid
Daarop hebben Arnden en Henneken, in het bijzijn van Pauwels, de ruis omhoog gehaald. Daarna zijn Arnden en Henneken de molen binnen gedrongen waar Arnden een kaars pakte en zei; "Laten we de molen aansteken, die heeft me genoeg gekost". Pauwels kon Arnden overreden het niet te doen. Maar hij kon niet beletten dat Arnden en Henneken daar uit de molen gereedschap meenamen, zoals een haex (aks), een brede bijl, een spikelboor (boor voor het maken van spijkergaten), een visnet, een dagge (korte degen), een paar handschoenen en een struisveer. Arnden draaide nog heimelijk de haan van de molenaar de nek om en gooide hem in het water.

Hoewel Pauwels Peter Ghijbensoene hierbij aanwezig was heeft hij er niet actief aan deelgenomen. De schout van 's-Hertogenbosch, Peter Vertaing, ridder, veroordeelt hem, na advies van de heren van de Rekenkamer te Mechelen, tot een boete van vijftig rijns gulden.

Meer berichten